Berg op, berg af

Mijn eerste grote Alpentocht, 1997


alpenreis 01 mont blanc
Zicht op het Mont Blanc massief na de Col des Montets


Wilde verhalen

“Zo, je gaat ook over de Stelvio!”
Mijn jeugdige medereiziger in de fietsbus bekijkt instemmend het A-viertje met mijn voorgenomen route.
“Ik heb hem een paar jaar geleden gedaan. Zwaar en steil is-ie. Daar ga je dood, man. Ik deed hem samen met een maat die veel meer getraind had. Die lag op ’t laatst zo’n tien bochten voor en toen werd ik ook nog ’s ingehaald door een brommertje met daarachter een ventje met een staartje in een tuinpak. Balen!!! Bovengekomen zegt m’n maat: ‘Weet je wie dat was? Laurent Fignon!’”
“Welke passen heb je verder gedaan?” wil ik weten.
“De Colombière, de Aravis, de Alpe d’Huez, de Galibier, de Mont Ventoux... Daar ben ik over de kop geslagen” vertelt mijn gesprekspartner vrolijk. “Ik had zo’n recordertje mee en ik wilde  tijdens de afdaling een opname maken. Zo van  ‘Ik ga nu 30 (windgebulder), ik ga nu 40 (meer gebulder), 50 (nog meer gebulder)’ Toen ik 70 wou zeggen lag er een steentje, ik raakte in de berm en sloeg over de kop door een struikje. In die opname hoor je een harde klap, dan minutenlang alleen gezoem van bijtjes en zingende vogeltjes voordat ik zeg: ‘Dit was dan het eind van de fietstocht.’”
Hij schurkt zich nog eens behagelijk tegen zijn vriendin. Zijn wilde jaren zijn nu voorbij. Ze gaan – zoals bijna iedereen in de bus – de door OAD Cycletours georganiseerde fietsreis door Hongarije doen.


Langzaam op stoom komen

Het is even voor achten in de ochtend als ik als enige passagier in Györ uitstap, nagewuifd door de rest van het reisgezelschap dat verder reist naar het eindpunt Budapest. Györ lijkt een weinig voor de hand liggend startpunt voor een reis langs de hele Alpen. Liever was ik natuurlijk in Wenen begonnen, maar daar stopte geen fietsbus. [Een paar jaar later zou de fietsbus daar overigens wel stoppen.]

Echt goed geslapen heb ik niet in de bus, dus doe ik het de eerste dag maar rustig aan. Campings hoef je in deze omgeving niet te verwachten, maar gelukkig ontwaar ik tegen het eind van de middag in een dorpje een bordje ‘Zimmer Frei’. Dat blijken ook de enige twee woorden Duits te zijn die mijn gastheer spreekt. Had ik nu toch maar het boekje ‘Wat en Hoe Hongaars’ meegenomen, maar 26 kg leek me wel genoeg, dus is het samen met andere twijfelgevallen thuis gebleven.
Ik besluit de dag in Hongaarse stijl met een diner op een terras aan het water, begeleid door live zigeunermuziek. En dat voor een bedrag waarvoor je in Nederland misschien nog net terecht kunt in de mensa!

De volgende dag neem ik de oude hoofdweg Budapest – Wenen. Die is na de opening van de snelweg niet druk meer. Met de aanleg van die snelweg is een zware slag toegebracht aan de handelaren in wijn, etenswaren, rieten manden en tuinkabouters, die vrijwel zonder klandizie zijn achtergebleven langs de oude weg.
Al gauw bereik ik de grens, waar ik drie keer staande wordt gehouden: eerst aan de Hongaarse kant, dan in het niemandsland en tenslotte aan de Oostenrijkse kant. Alledrie keer wil men weten waar vandaan, waarheen, hoe lang de tocht is en hoeveel dagen ik daarvoor heb. Na de grens steekt een genadeloze tegenwind op, die in de boomloze vlakte door niets gestuit wordt. De onafwaaibaarheid van mijn nieuwe zonnepetje is daarmee overtuigend bewezen.

Ondanks de tegenwind kom ik die dag nog tot Brunn am Gebirge, een dorpje net voorbij Wenen. De dag daarna kan het feest dus beginnen.   Het terrein doet aanvankelijk meer aan de Eifel denken dan aan de Alpen: veel bos en bescheiden pashoogtes: Auf dem Hals (655 m) en Rorher Sattel (864 m).
’s Avonds is het heerlijk rustig op de camping, die in een superstil dal ligt. Hoewel ik volgens de kaart aan een ‘rode’ weg zit doorbreekt slechts af en toe een voorbijrijdende auto de stilte. En de vaste campinggasten uit Wenen zijn bijna allemaal elders met vakantie.


Frau Grubers Kuchen

Het zijn nog steeds nauwelijks Alpenpassen te noemen: Ochsattel (net als het vorige hoogtepunt 864 m) en Gscheid (963 m). Maar met 30° in de schaduw valt het toch niet mee 8-10% te klimmen. Ik ben dan ook blij met Alpengasthof Gruber op de tweede top.
Na deze stop met thee en Heidelbeerenkuchen volgt een ‘wit’ weggetje dat zo stil is dat je je afvraagt ten behoeve van wie het is aangelegd.  Het voert door een idyllisch klein dal met een kabbelend beekje, veel wilde bloemen en af en toe een houten huisje.
Helaas valt de zonet omschreven versnapering slecht en daarom houd ik het al na 59 km in Mariazell gezien voor de dag. Ietwat misselijk klop ik aan bij de jeugdherberg, waar de gasten – jonge schoolkinderen – net gespijzigd worden, zodat mijn oren tuiten. Gelukkig hebben jeugdherbergen meestal wel een paar rustige kamers voor de begeleidende leerkrachten. In één daarvan neem ik mijn intrek, met uitzicht op een mooie  avondlucht boven een intussen al heel wat bergachtiger landschap.
Dankzij de Okoubaka kon ik Frau Grubers Heidelbeerenkuchen ervan weerhouden mijn mond nogmaals te passeren, maar wat zou ze toch in die Kuchen gestopt hebben? Want van bessen word ik toch meestal niet misselijk. Een fantastisch middel trouwens, die Okoubaka. Het heeft me al een paar keer snel geholpen als ik in den vreemde iets verkeerds gegeten heb.

alpenreis 02 huisje

Houten huisje ergens tussen Wenen en Mariazell


Doodstil

Het Salzatal is prachtig! Je bent er helemaal alleen met de stroomversnellingen, sparren en rotswanden. Af en toe zie je eilandjes met hagelwitte stenen in het turquoise water liggen. Soms komt er minutenlang geen auto langs. Slechts heel af en toe is er een dorpje, zodat ik me bijna in Noorwegen waan, zo ongerept is het hier.
Men heeft hier goed aan fietsers gedacht: bij de meeste tunnels  wordt je over een speciaal aangelegd fietspad buitenom de tunnel geleid. Bij een eenzaam huis langs de weg loopt een kraantje met bronwater. Aan een touwtje hangt uitnodigend een bierpul ten gerieve van de dorstige passant: een self-service tankstation voor fietsers.
Na het Salzatal volgt het Gesäuse, dat nog indrukwekkender is. Hier en daar liggen grote rotsblokken in de rivier, terwijl loodrechte rotswanden hoog boven de kloof uittorenen.
alpenreis 03 salzatal
Salzatal


Jetzt geht’s los!

De Sölkpas (1790 m) is de eerste serieuze uitdaging op deze tocht. Het begin is niet erg steil. Een beekje huppelt mij vrolijk tegemoet. Er liggen grote witte stenen met roze strepen in. Net spek. Majestueuze sparren, lariksen en kandelaarvormige Alpendennen staan in de weilanden. Op 1450 m hoogte passeer ik een laatste eenzame boerderij. Daarna volgen drie kilometers van rond de 10%, met uitschieters tot 12%. Ter bemoediging is op het wegdek gekalkt hoe ver het nog naar de top is: nog 2000 m te gaan, nog 1000, 500, 200... Ik ben blij als ik een klein kapelletje zie dat de pas markeert, precies in een bres in de bergkam.
“Hè hè,” zeg ik bovengekomen tegen een paar motorrijders die van het uitzicht genieten.
“Here, you need energy,” zegt een van hen, en houdt me een rol biscuits voor.
Het is hierboven koud en winderig, dus ik blijf niet lang stilstaan. Vier kilometer verder vind ik onderdak in een Alpengasthof. Het rustieke gebouw is helemaal van hout. Op de overloop is dan ook een touwladder en een bord aangebracht met de tekst: “Voorzichtig met vuur en licht. Haken voor de touwladder op kamer 4.” Elektriciteit – alleen voor verlichting – komt hier van zonnecellen; het surplus wordt opgeslagen in batterijen, voor bewolkte dagen. Koken en douchen gebeurt op houtvuur. Zuivel en vlees voor de gasten en passanten komen van de eigen boerderij.
Al ik ’s avonds nog even aan de bar zit tref ik weer andere motorrijders. We nemen samen mijn voorgenomen route door.
“De Stelvio is vervelend.” vinden ze. “Je rijdt steeds in de uitlaatgassen.”
Dan willen ze weten hoeveel kilometer en hoeveel hoogtemeters ik per dag doe.
“85 km en 1250 hoogtemeters? Da’s weinig!” vindt de een.
“Nee, hij doet ’t niet één dag, maar elke dag weer. En mèt bagage. Dat is helemaal niet slecht!” meent de ander.
Later op mijn kamer hoor ik ze in de belendende kamer er nog over door discussiëren.

De volgende dag doe ik een naamloze pas tussen het Murtal en de Millstätter See, een vredige, spiegelende watervlakte, waar de donkere sparren mooi tegen afsteken. Ik noteer 91 km en 1135 hoogtemeters als ik om 20.20 uur afstap. Zou dat nu veel of weinig zijn?
alpenreis 04 solkpas
Ochtendnevel op de Sölkpas


Echt genieten

De Drauradweg is echt genieten: goed bewegwijzerd, grotendeels autovrij en verder over heel stille landweggetjes. Soms over fijne steenslag, die met mijn randonneur prima te doen is. Nu eens door bossen, dan weer langs velden of door een dorpje. Ik kom veel fietsers tegen die de route stroomafwaarts doen.

Plotseling is het gedaan met de rust: ik kom groepjes auto’s tegen en wordt door groepjes auto’s ingehaald. De hoofdweg blijkt afgesloten en alle verkeer moet over dit boereweggetje waar twee auto’s net langs elkaar kunnen. Op een gegeven moment doemt een stilstaande file op, die ik voorzichtig inhaal. De wachtende automobilisten vertonen steeds meer tekenen van ongeduld naarmate ik de kop van de file nader. Mensen stappen uit, klimmen op het dak van hun auto of lopen naar voren om de oorzaak van het oponthoud vast te stellen.
Het blijkt dat in het dorpje de tegengestelde stromen met elkaar in conflict zijn gekomen. Geen auto die er nog langs kan. Ik loop op de plek des onheils even door het gras, terwijl een agent probeert de knoop te ontwarren. Net als ik erlangs ben is het de wetsdienaar kennelijk gelukt de boel weer op gang te krijgen, want ik hoor een auto achter mij. Hij blijft netjes achter mij, maar zodra de weg wat breder wordt gebaar ik met mijn rechterhand “Ik ga wel even naar rechts” en met mijn linkerhad wenk ik “dan kan jij erlangs.” Als water in een ontstopte afvoer komt plotseling de hele stroom langs me. Een four wheel drive jeep mist me op 25 cm. Plotseling heb ik een levendig beeld van wat de motorrijder in de Alpenhut een paar dagen terug bedoelde met “Op de Stelvio rijdt je in de uitlaatgassen.” Gelukkig keert in het volgende dorp de weldadige rust terug.
alpenreis 05 drauradweg2
Langs de Drauradweg


Naar de Dolomieten

Na een rustdag in Lienz (gezellige kletsen op de camping, naar de conditorei in de stad en een excursie met een bergbaan) fiets ik over de Drautalradweg verder omhoog Italiaanse grens. Er komen mij weer veel fietsers tegemoet, aan de outfit te zien ook veel Italianen. Sommige dames hebben een schoothondje mee in een boodschappenmand aan het stuur. Eén man heeft een grote plastic krat achterop die vervaarlijk doorbuigt onder het gewicht van een grote bulldog.

Eenmaal over de Italiaanse grens blijkt meteen hoe lofwaardig het initiatief tot aanleg van de Drautalradweg is, want nu moet ik verder over de hoofdweg. De eerste kilometers gaan nog, maar nadat bij Innichen het verkeer uit het Sextental erbij gekomen is lijkt het wel of in één keer alle toeristen losgebroken zijn. In beide richtingen rijdt een ononderbroken stroom auto’s, die alleen stokt als iemand linksaf wil, want natuurlijk wil niemand zo’n afslaande auto er even tussendoor laten. [Inmiddels is in Italië een op de Drautalradweg aansluitend fietspad door het Val Pusteria aangelegd.] De zijweg naar Cortina d’Ampezzo in het hart van de Dolomieten is nauwelijks minder druk. Gelukkig hoef ik hier bijna niet te klimmen.
Tja, wat wil je? Het is hoogseizoen. Italië kent geen vakantiespreiding; iedereen gaat in augustus met vakantie en het is hier werkelijk schitterend. Met de kennis van nu was het niet slim om in de reis in augustus te plannen, maar in juni zouden de hoogste passen wellicht nog niet open zijn en in juli wilde ik de Tour de France voor de buis volgen. Dat leek me een goede  geestelijke voorbereiding.

De ruige, kale Dolomieten zijn van een heel andere schoonheid dan de rest van de Alpen. Plotseling is er door een zijdal een prachtig doorkijkje op de Tre Cime (of Drei Zinnen, want dit is een tweetalige regio). Het zijn misschien wel de bekendste toppen van de Dolomieten en ze lijken inderdaad op drie reusachtige vervallen burchttorens. Bij het uitzichtpunt staat een picknicktafel, dus dat komt mooi uit. Tijdens mijn eetpauze stopt een auto met racefietsen op het imperiaal. Er ontstaat een geanimeerd gesprek over mijn onderneming en de route die ik wil volgen.
“Overal in de Dolomieten zijn in augustus te veel mensen, of je moet héél vroeg of héél laat gaan.”
Alle mannen moeten even voelen hoe zwaar zo’n bepakte fiets nu is (18 + 26 = 44 kg!) en concluderen eensgezind: “Allora sei potente!” (Nou, dan ben je sterk!) Ik krijg van ieder een stevige hand en een “Buon viaggio”.
In Cortina aangekomen wordt me een nogal hobbelig plekje op de overvolle camping aangeboden, maar gelukkig biedt het aardige jonge stel mountainbikers uit Wuppertal ruimte op hun perceel. Het wordt nog bar gezellig en dus zoek ik extra laat mijn tent weer op. Van hen leer ik de tip je bidon met bruistabletten voor kunstgebitten te reinigen als de inhoud van de bidon bedorven is. En dat was hij. Nooit geweten dat Isostar kon bederven. Ik dacht dat daar alleen zouten inzaten.
alpenreis 06 cortina
Cortina d'Ampezzo: uitzicht vanaf de camping


Auto’s, auto’s, auto’s

Niet echt leuk, een pas op fietsen tussen zóveel auto’s. Vooral drinken onder het fietsen wordt een probleem, omdat ik met één hand aan het stuur meer slinger en weinig meer zou kunnen doen als ik word gesneden. Dus neem ik steeds  een haastig slokje als er even een pauze valt in de stroom auto’s. Omdat inhalen hier onmogelijk is ontstaan er steeds slierten auto’s achter de langzaamste voorrijder. Voor die sliert is de weg dan even stil.
Sommige auto’s geven een riedel op de claxon bij wijze van aanmoediging. Eén auto toetert extra lang, blijft naast me rijden en doet het raampje open. “Buon viaggio! Ciao!” hoor ik. Het zijn de mannen die ik gister ontmoette.
Ondanks al dat verkeer is de weg naar de Passo di Falzárego erg mooi: de sparren en de fijne naaldjes van de lariksen contrasteren prachtig met de ruige, grillige bergwanden. In de berm groeien veel wilde bloemen en tussen de rotsen liggen tapijtjes van kleine klokjesbloemen.

Vier dagen en even zovele passen verder (Passo di Gardena, Passo di Pinei, Passo di Méndola en Passo di Tonale) is het nog steeds druk tot zeer druk. Tijdens een pauze houdt ik een kleine verkeerstelling die omgerekend uitkomt op zo’n 1000 auto’s per uur.
Weer onderweg toetert achter mij een touringcar om het tegenverkeer op deze smalle bochtige weg te waarschuwen. Ik ga stilstaan om hem er langs te laten. Had ik dat maar niet gedaan, want even verder is hij een camper tegengekomen en nu is het manoeuvreren op de centimeter. Zelfs een fiets kan er zo niet tussendoor. De eerste auto achter de bus geeft aanwijzigingen  aan de camper en langzaam komt het verkeer weer op gang. De bus braakt dieselgassen uit. Even verder komt hij weer een camper tegen. Ja hoor ’s, blijft dat zo? Ik ga wel een stukje wandelen in de Alpenwei. Ik zet mijn fiets op slot buiten bereik van de manoeuvrerende auto’s.

Wie de kaart erbij pakt begrijpt dat ik intussen het plan Stelvio heb laten varen. Eerder heb ik de Großglockner ook maar laten schieten en in plaats daarvan de minder ambitieuze Sölkpas genomen.
Kamperen in de voortuin
De Passo di Aprica is van mijn kant gezien niks bijzonders, meer een vals plat. De afdaling daarentegen is fraai: prachtig uitzicht over het Valtellina onder me. Tussen de bergen hangen roerloze wolken na de regen van de afgelopen nacht. In het dal aangekomen moet ik verder over een drukke hoofdweg, die gelukkig licht omlaag blijft lopen, zodat ik flink kan doorstoempen. Ik stop even om een laagje uit te trekken, maar na een aantal kilometer vind ik het toch te fris. Hé, waar is mijn helm? Oei, laten liggen toen ik een laagje uittrok! Terug dus. De lekkere afdaling is nu een helling van 4% geworden, maar na 7,5 km blijkt mijn helm nog te liggen waar ik hem even afgedaan had voor de kleine verkleedpartij. Pff!

Op zoek naar een rustiger weg sta ik te aarzelen bij een weggetje met verbodsbord. “Misschien liggen er verderop rotsblokken en kun je er niet door,” denk ik. Net op dat moment komt een oudere Duitser op een mountainbike uit het weggetje.
“Nee hoor, daar kun je door. Eindje lopen, dan weer asfalt. Heerlijk rustig!”
Hij heeft maar een klein tasje bij zich, 4 kg schat ik. Hij overnacht in jeugdherbergen en eet in restaurants.

’s Avonds kom ik aan bij een spiegelglad Comomeer. De bergen zijn in een dikke wolkendeken gehuld. Anders dan op de kalenderplaten. De camping is eigenlijk vol, maar de campingbaas heeft een oplossing:
“Het is maar voor één nacht, hè? Deze mensen zijn er toch niet, zet de tent maar in de voortuin,” zegt hij wijzend op een stacaravan met tuintje.
alpenreis 07 passo di gardena
Ansichtkaart van de Passo di Gardena


Palmen en oleanders

De volgende dag fiets ik langs het Comomeer en het Meer van Lugano en geniet van de villa’s met schitterende tuinen: palmen, oleanders, cipressen  en ceders. In Varenna brengt het veer me naar de overkant van het Comomeer. Dat veer heeft geen voor- en achterklep. Je kunt zo het water inrijden; alleen een kabel moet je tegenhouden: Italiaans veiligheidsbeleid.

Op zoek naar een betaalbare slaapplek in Lugano maakt een jongen een hele tekening die de weg wijst naar een budgethotel, waar ik voor 20 Sfr. in het Turistenlager terecht kan. De lounge heeft een balkon met uitzicht op de mooie palmentuin rond het hostel. Als ’s Avonds de lichtjes in en rondom Lugano aan gaan wordt het nòg mooier.

Zwitserland is een zeer ordelijk land, ook het enige Italiaanstalige kanton Ticino waar ik nu ben. Dus prijkt op mijn kamerdeur een meertalig huisreglement, inclusief de geldende sancties bij overtreding. Nachtruhestörung kost bijvoorbeeld 200 Sfr., Schweineordnung in de gastenkeuken 50 Sfr.
alpenreis 08 comomeer
Comomeer


Net voor de bui binnen

Na Lugano valt Zwitserland me eerst wat tegen: het bergdecor is er wel, maar op het eerste plan zie ik vooral prozaïsche huizen, hoogspanningsmasten en steengroeves. Ik zie geen enkele aanleiding voor een fotostop en daardoor schiet ik lekker op. Ook al omdat een flinke meewind – ik schat windkracht 6 – me het vals plat op duwt. Na Biasca wordt het dal smaller en spannender, de dorpjes leuker en de weg steiler. De wind is gaan liggen; het is warm en broeierig. Het zweet gutst me van het voorhoofd, terwijl de bergen voor me door donkere wolken aan het gezicht onttrokken worden. Tegemoet komende auto’s hebben licht aan. Dat betekent tunnels of slecht weer. In dit geval is het ’t laatste, want ik voel al een paar druppels en hoor donder in de verte. Ik passeer een hotelletje, maar wil eigenlijk nog wat verder en hoger eindigen vandaag: op de camping in Chioggiogna, dichterbij de zware Nufenenpas die ik morgen wil doen.
Bij de laatste huizen van het dorpje plots een felle bliksemflits. Ik vat het op als een waarschuwing en fiets terug naar het hotelletje. Ze hebben nog een kamer. Sterker nog: ik ben de enige gast. Sinds de Gotthardsnelweg in de jaren tachtig gereed kwam loopt het hotel slecht. Niemand komt er nog langs. Triest voor de mensen die ervan moeten leven.
Zodra mijn fiets in de garage staat en mijn spullen op de kamer barst de bui echt los, zoals vroeger in de ouderwetse leesboekjes op de basisschool de eerste druppels van een zwaar onweer vielen als net de hooioogst met noeste arbeid van het hele gezin veilig gesteld was...


Het dak van de tocht

De Nufenenpas zal met 2478 m het dak van de tocht worden, maar dat wist ik toen nog niet. Op dat moment had ik nog hoop dat ik de overige drie superpassen (Iseran, Galibier en Bonnette) wèl zou fietsen, nadat eerder de Großglockner en de Stelvio van het programma afgevoerd waren. Omdat het vertrekpunt vandaag laag ligt zal de Nufenen ook zorgen voor de dag met de meeste hoogtemeters van de hele tocht: 1878 m! Hij komt overigens in de plaats van het oorspronkelijk geplande drietal Lukmanier, Oberalb en Furka.

Op de pashoogte spot ik dichtbij de Griesgletscher, maar de  de witte toppen van ‘Viertausender’ als de Finsteraarhorn en de Aletschhorn gaan helaas schuil achter bewolking. Eerst maar wat eten, want ondanks drie eetpauzes sinds vanochtend heb ik alweer honger. Thee met Schwarzwalder Kirschtorte en ook nog maar een Kitkat. Dan warme kleding aan en lekker naar beneden. Het eerste dorpje onderaan, Ulrichen, blijkt een camping te hebben. Stoppen dus, genoeg gedaan voor vandaag.

De volgende ochtend is het in de vroegte koud op 1350 m hoogte. Ik ontbijt daarom in mijn slaapzak. Zodra de zon de camping bereikt heeft voelt het echter alsof er een lekker straalkacheltje aangezet is. Eenmaal onderweg is de weg door het Obergoms onder een strakblauwe hemel is een feest. Het gaat licht omlaag over groene glooiingen, langs witte dorpskerkjes en rustieke houten huizen overladen met uitbundig bloeiende geraniums. De nog jonge Rhône mag hier nog even dartelen. Straks zal hij vanaf Brig in een rechtgetrokken bedding gedwongen worden, waardoor het meer een kanaal lijkt, maar dan met stromend water.

In Fiesch maak ik een excursie met de cabinebaan naar de Eggishorn, befaamd om het weergaloze zicht op de Aletschgletscher. De sierlijke bochten en de parallelle strepen in het midden van deze grootste gletsjer in de Alpen geven het idee van snelheid, maar in werkelijkheid gaat het heel traag: het ijs vordert zo’n 140 meter per jaar.
alpenreis 09 aletschgletcher
De Aletschgletsjer gezien vanaf de Eggishorn


Voor het eerst bang

Er zijn minstens drie passen met de naam Col de la Forclaz, en ze liggen ook nog vrij dicht bij elkaar, maar ik bedoel die tussen Martigny in Zwitserland en Chamonix in Frankrijk. Het is de  eerste pas waar ik onderweg bang ben. Het tracé bestaat uit lange rechte stukken met slechts af en toe een haarspeldbocht. Automobilisten kunnen er dus lekker hard rijden en dat doen ze dan ook. Sommige komen met gierende banden door de bocht. Eéntje passeert me met zo’n 25 cm ruimte. Fuck you!!
Gelukkig kom ik behouden boven, wissel op de  pashoogte die tevens de grens vormt mijn Zwitserse franken voor dito Franse en begin een heerlijke afdaling die langer is dan ik van de kaart had begrepen. Heerlijk ja, maar dat betekent ook dat het straks langer klimmen is naar de Col des Montets, waar de camping is.
Het begint al te donkeren. Auto’s hebben al licht op. Dat doe ik dan ook maar. Voor extra veiligheid doe ik ook nog een rood knipperlicht op batterijen, want ik heb niet graag dat ze me over het hoofd zien. Als ik eindelijk op de camping kom is het al bijna donker. Maar ja, het is ook al weer eind augustus.
alpenreis 10 col de forclaz
Veilig aangekomen op de Col de Forclaz


Onder de Mont Blanc

Op de rustdag moet er allereerst nodig gewassen worden. Helaas is er geen wasmachine op deze camping. Dan maar met de hand. Er gaat flink wat tijd in zitten. Als de was aan de lijn hangt is het smalspoortreintje naar Chamonix, dat langs de camping komt, net vertrokken. Een uur wachten dus, maar dat is met een pot thee in de campingkantine geen straf.
Het spoortraject is heel mooi. Na een tunnel komt plotseling de Mont Blanc in beeld. Onvoorstelbaar hoog en met veel sneeuw en gletsjers, die soms tot dicht bij het dal komen. De panoramische ruiten in het treintje komen goed van pas.
In Chamonix aangekomen moet ik eerst een paar alledaagse zaken regelen om de voortgang van de reis zeker te stellen. Een geldautomaat en een supermarkt zijn gauw gevonden, een fotozaak waar ze fotorolletjes van Agfa verkopen niet. De alomtegenwoordige Fuji wil ik niet: de kleuren zijn minder mooi. Tot slot wil ik een schoenenzaak vinden waar ze mijn canvas schoenen verkopen, maar dat lukt niet. Ze zijn hier meer gespecialiseerd in bergschoenen. Jammer, want de scheur in mijn schoen wordt steeds groter...
Gelukkig blijft er nog genoeg tijd over om van de omgeving te genieten. Vooral de Glacier des Bossons die bijna tot aan het dal komt fascineert me. Net een verzameling grote menhirs van ijs.

De volgende dag is er nog tijd voor een excursie per tandradbaan naar de Mer de Glace. De baan is zo stijl dat de bankjes voor degenen die achteruit omhoog rijden een speciale vorm hebben om te voorkomen dat ze eraf glijden. Onderweg hoor ik allerlei talen: Frans, Duits, Spaans, Engels, Russisch...
Het afdalen van het eindstation naar de gletsjer langs ladders en staalkabels laat ik maar over aan de alpinisten. Diep onder me zie ik ze als miertjes het slingerend pad over de gletsjer volgen. Zo krijg je wel een goed idee van hoe enorm groot die spleten in het ijs zijn!

Daarna is het tijd om afscheid te nemen van het Massif du Mont Blanc, liefst zonder de drukke hoofdweg te gebruiken. Dus eerst parallel daaraan over de oude dorpsweg, dan zo’n 300 m toch op die vierbaansweg (niet verboden, wel gevaarlijk) en dan linksaf (gelijkvloers oversteken!) richting Les Houches. Dat ze voor dat kleine stukje nou niet even een fietspad en tunneltje hebben gemaakt! Daarna is het namelijk weer heerlijk rustig en zit ik uiteindelijk 150 m boven het dal om er vervolgens met veel krappe bochtjes weer in terug te keren en aan de overkant verder te gaan naar Servoz. [Ik zie op OpenStreetMap dat het gewenste stukje parallelweg met viaduct inmiddels is aangelegd.]
alpenreis 11 glacier des bossons
De Glacier des Bossons in het Mont Blanc massief


Schuilen bij de boer

Eergisteren werd er al onweer voorspeld voor vandaag. Het is één van de redenen dat ik nu ook de drie resterende superpassen heb laten vallen voor een lichtere route. Onweer in de bergen is gevaarlijk, en op de fiets al helemaal. Dan kun je beter niet halverwege de Iseran of de Galibier zijn met nergens een witgekalkt huisje met groene luiken met rode hartjes, waar een vriendelijk oud vrouwtje woont waar je kunt aankloppen om te schuilen. De andere reden om de route aan te passen is natuurlijk dat ik dan waarschijnlijk domweg niet op tijd bij de fietsbus in Antibes aankom.

Het is vandaag inderdaad vies, benauwd weer. Rondom verschijnen steeds meer wolken; de zon laat zich nog maar af en toe zien. Hoorde ik daar nou gerommel in de verte of was het maar een vliegtuig?
Toch nog vrij plotseling zakken de wolken de berg af en begint het. Vlug, een schuilplaats nodig. Er zou toch een dorpje komen halverwege de klim? Ik zie alleen maar een boerderijtje een eindje boven de weg. Hoe kom ik daar? Kijk, daar is een keienweg ernaartoe. Tjonge, wat is dat steil! Met moeite duw ik de fiets omhoog; het voorwiel glijdt steeds opzij over de natte keien.
“Bonjour Madame, mag ik hier blijven tot het onweer voorbij is?”
Het mag. Aan de keukentafel soppen de boer en boerin wat brood in grote kommen koffie verkeerd.
“Wilt u ook koffie?”
“Ja, merci!”
“Waar ga je overnachten?” wil de boer weten.
Tja, ik wilde eigenlijk deze dag nog tot Annecy komen, maar dat zit er niet echt in.
“Anderhalve kilometer verderop, in Le Reposoir, zijn twee hotels.”
Het lijkt op te klaren.
“Als je nog verder wilt komen, moet je nú gaan” raadt de boer mij aan.
Ik bedank mijn gastheer en gastvrouw, doe mijn regenspullen weer aan en daal het steile pad af.
“Bon voyage!”

Het dorp is gauw bereikt, maar nu het bijna droog is wil ik liever nog wat verder. In de verte rommelt het nog wat na.
“Ver weg” denk ik, maar na een paar kilometer begint het weer harder te regenen. Voor me zoekt een zilveren bliksem een weg door de wolken. Een stukje verder wijst een bordje “Gîte d’etappe, 880 m”.
“Dat is voor jou bedoeld” zeg ik tegen mezelf. Het pad erheen is even steil en slecht als dat van zonet, maar dan een stuk langer.

De ontvangst in de gîte is allerhartelijkst.
“Hier kunt u uw spullen drogen. Wilt u droge schoenen? Deze passen u wel. Een andere gast heeft ze achtergelaten.”
Tegen etenstijd krijg ik een lekkere soep van het huis aangeboden en van wat ik nog bij me heb kan ik in de keuken zelf iets klaarmaken.
“Gekookte aardappelen, prei en ham? Oh la la, u bent zeker op dieet?” meent de gastvrouw.

Af en toe klaart het op en zijn de zaagtanden van de Chaîne des Aravis te zien. Dan trekt de lucht weer helemaal dicht, terwijl nieuwe regen in stromen neervalt.


Koude douche

De volgende ochtend hangen er hier en daar wolkenflarden in het dal, maar het is droog en niet koud. De Chaîne des Aravis is helaas niet te zien. Nog zo’n 350 hoogtemeters scheiden mij van de Col de la Colombière, die al van verre te zien is als een inkeping in de bergkam. Op de col is een uitspanning waar de toerist zich kan laven en ansichtkaarten, koffiebekers met zijn naam erop of koeiehuiden kan kopen. Enkele bezoekers geven mij een bescheiden applausje. Een groepje wandelaars roept “Super!” Doet je tòch goed.

Annecy kom ik binnen door de achterdeur: langs een klein weggetje. Er staat niets aangegeven, maar ik zie het Meer van Annecy onder mij liggen. Daar moet ik heen. Aan het meer gepicknickt en gefietst over een prachtige avenue met oude platanen langs het water en daarna verder over een fietspad op een voormalige spoorlijn, met uitzichten op het meer. Dan volgt  de Col de Leschaux, met 450 hoogtemeters en 4, hooguit 5% een makkie.

Intussen wordt het alweer tijd om een onderkomen voor de nacht te zoeken. De gîtes bevallen me goed: lekker droog, een normaal bed, een tafel om aan te eten, je ontmoet vaak leuke mensen en ze zijn zéér betaalbaar. Die van gister was maar FF 50,– oftewel ƒ 17,50. Voor dat bedrag heb je in Italië meestal nog niet eens een camping!
Jammer daarom dat ze hier vandaag allemaal vol zitten, zodat ik toch moet uitwijken naar de Camping Municipal. Voor het eerst deze reis moet ik me behelpen met een koude douche. Brr!


De rust keert weer

Over een paar dagen begint september en dat is goed te merken. De vakantiedrukte is hier voorbij. Vanochtend vroeg was het koud en alles voelde klam aan. Boven het spiegelgladde meertje waaraan de camping ligt hangt nog een dun laagje mist, maar daarboven zijn de heuvels en bergruggen al zichtbaar in een heel zacht licht. Een paar mannen zitten te hengelen. Twee zwanen drijven statig door het roerloze water. Geleidelijk komt een strakblauwe hemel te voorschijn.

Door een pastoraal landschap voert de weg naar de Col de Plainpalais, iets hoger en zwaarder dan de Col de Leschaux, maar toch ook een makkie. Het is op de kaart een gele weg, maar het is doodstil. Wat een verademing na al dat autoverkeer van de afgelopen weken! De boerderijen in de vriendelijke gehuchtjes onderweg hebben allemaal grote, overstekende daken. Handig om boterhammen te smeren als het regent. Of zou het bedoeld zijn om in de winter niet alsmaar sneeuw te moeten ruimen?

Voorbij Chambery zie ik een bankje langs de weg, waar ik handig iets van de net ingeslagen etenswaren kan nuttigen. Een dame die twee getrimde poedels uitlaat vind dat duidelijk niet  comme il faut, aan haar blikken te zien.
Daarna staat de Col du Granier nog op het dagprogramma, hetgeen bij 32° in de schaduw niet meevalt. Rustig aan dus maar. Liever een tandje meer. Halverwege de klim kom ik opeens in een frissere luchtlaag en gaat het klimmen veel beter.
In de lekkere afdaling is er een korte, spannende kloof, waar de weg is uitgehakt onder de rotsen. Meteen daarna een forellenkwekerij annex een gîte!

“Blijft u ook eten, meneer?”
“Als u ook wat anders serveert dan forel, graag!”
(Ik ben dan wel geboren in het vissersstadje Enkhuizen, dat zelfs drie  haringen in het stadswapen voert, maar met vis kun je me wegjagen.) Gelukkig kan een ander menu geregeld worden: een lekker salade, frites met gegrild vlees en als dessert een huisgemaakt bosbessen/frambozen taartje.
alpenreis 12 lescheraines
Morgenstemming bij de camping in Lescheraines


Nat en zwaar

“Gaat u echt verder met dit weer?!’ vraagt de begeleider van een groepje kinderen in de gîte de volgende morgen vol ongeloof. Het regent onophoudelijk, nu eens licht, dan weer harder. De lucht is egaal grijs en ziet eruit alsof het de hele dag zo zal blijven. Mijn gastheer had me gisteravond al gewaarschuwd:
“Morgen zal het hard regenen en waaien. Gaat u dan verder?”
“Tja, ik zal wel moeten. Ik wil toch proberen Antibes te halen zonder trein.”
Alors bon courage! Het zal heel zwaar worden.”

Ik heb lang werk met moed verzamelen en alles zo goed mogelijk tegen de regen te beschermen. Ook de fietscomputer krijgt zijn eigen regenjackje: een piepklein plastic zakje met een elastiekje eromheen.
Direct om de eerste bocht liggen er al flinke stenen op de weg. Het is het moment dat ik me realiseer dat het verkeerbord voor vallend gesteente niet betekent: ‘Doe je schuifdak dicht’, maar ‘Pas op, om de bocht kunnen stenen op de weg liggen.’ De weg door de Gorges du Guiers Vif daalt licht, maar door de natte velgen moet ik al flink in de remmen knijpen om de snelheid in toom te houden.
In het eerste dorpje slaat de klok net elf uur. Twee oude vrouwtjes staan met een boodschappenmand met stokbroden aan de arm te kwebbelen in de regen. Elk onder een grote paraplu uiteraard.
Door de kou heb ik al gauw honger. Als ik rond het lunchuur bij een klein restaurantje stop lijkt het in het zuidwesten iets op te klaren. Er komt zelfs een heel klein blauw gaatje in het wolkendek. Tijdens de maaltijd breekt opeens de zon door en na het eten is de lucht vrijwel overal blauw. Boven de Vercors en de Chartreuse toren nog wel hoge stapelwolken; voor de bergwanden hangen witte wolkenflarden.
Het is prachtig helder weer, zoals het de hele reis nog niet geweest is. Het licht is opeens zó mooi, met prachtige, frisse kleuren. Dat er juist nu wat aan de hand moet zijn met de batterijen in de camera! Onderwijl heb ik het zo druk met genieten van het mooie licht dat ik niet zie dat achter mij al weer donkere wolken naderen. Gelukkig trekt de bui achter me langs.

Later op de middag fiets ik op weg naar de Col de Romeyère door een schitterend beukenbos. Ik pauzeer even bij een grote waterval. De laagstaande zon komt net onder de wolken door en tovert duizenden kleine groene lampjes in de bomen. Een paar tellen later begint het te regenen; overal vallen gouden regendruppels neer. De bui duurt slechts kort, maar geruime tijd drupt het na in de bladeren boven mijn hoofd.

De klim wordt steiler en er zit een stikdonkere tunnel in het tracé. Gelukkig heb ik ook nog een hoofdlamp op batterijen, want de dynamo doet niet veel bij deze snelheid. Na de tunnel is er een zeer smal bochtig stukje langs een kloof. De enige bescherming tegen de afgrond bestaat uit prikkeldraad aan halfvermolmde paaltjes. Soms liggen er flinke keien op de weg. De woeste omgeving doet me denken aan de verhalen van Maarten Toonder. Na elke bocht verwacht ik dan ook Heer Ollie en Tom Poes in de Oude Schicht tegen te komen.

Het is al schemerig als ik eindelijk op de pas aankom, waar helaas geen hotel staat. Verderop moet een gîte zijn, maar waar? De eerste is steil omhoog; bij de tweede is alleen de hond thuis. Dan maar verder omlaag, want op de pas zag ik een bordje ‘Hotel 5 km’. Brr, het is koud en nu helemaal donker. Met het fietslicht op de weg en de hoofdlamp op de berm gericht daal ik voorzichtig af. Met 11 uur en 40 minuten tussen vertrek en aankomst zal dit de langste reisdag van de tocht worden. Ik kom veilig aan bij het hotel in Rencurel, waar gelukkig plek is. Al gauw licht de hele kamer bezaaid met natte en klamme spullen. Foei AGU, noem je dat nou waterdichte tassen?!
alpenreis 13 pas du frou2
De weg door de Gorges du Guiers Vif


Wat is het hier mooi!

Heerlijk geslapen en uitgerust. Het is 11° en bewolkt maar droog als ik rond tienen vertrek. Er is geen tijd voor een omweg langs de toeristische hoogtepunten van de Vercors zoals de Combe Laval of de Gorges de la Bourne, laat staan voor  bezoek aan de grotten. Maar ook zonder dat: wat ís het hier mooi! Prachtige bossen van sparren en beuken die voorzichtig hun herfstkleur beginnen te tonen, idyllische dalen met frisse groene weiden waarin roodbonte of crème koeien grazen.
Ik kom langs de plek waar de Goule Noir vanuit een grot in de Bourne uitmondt: zwart water in groen water. Na Rousset gaat de weg – na 8 kilometer à 2-3 % – wat serieuzer stijgen. Al gauw ligt het dorpje een eindje onder me: misschien twintig huizen, een kerkje en een sfeervol begraafplaatsje, meer niet. Dag mooie Vercors, hier moet ik beslist nog eens terugkomen.

Op de col de Rousset is het koud en winderig, maar na een goed verlichte tunnel van 800 m wordt alles anders. Ik had het thuis al gelezen in de Michelingids: “De Col de Rousset, die de klimaatgrens tussen de noordelijke en zuidelijke Alpen markeert, verbindt de frisse dalen van de Vercors met het door zuidelijke droogte gekenmerkte bekken van Die. Het contrast tussen beide einden van de tunnel is vooral goed waarneembaar wanneer de grillen van het weer  deelnemen aan deze verrassende ommekeer van zaken: mist aan de kant van de Vercors, een strakblauwe lucht aan de kant van de Diois.” Als je ‘mist’ vervangt door ‘grijs wolkendek’ klopt dit citaat helemaal met de situatie van het moment. Het uitzicht over de bergen en dalen van de Diois is geweldig. Dat ze hier geen restaurant gebouwd hebben!
Met ruime bochten slingert de weg op zijn gemak naar beneden: steiler dan 5% wordt het niet. Beneden doet alles zuidelijk aan, met in de dorpen platanen, oleanders en gezellige terrasjes.


Het kan nog net!

Aan een terrastafeltje bestudeer ik de volgende morgen de net in Die gekochte Michelinkaart Provence-Côte d’Azur. Het is nog ongeveer 300 km naar Antibes, dus als ik een beetje doorfiets kan dat nog net in drie dagen. Dan houd ik daar nog een rustdag over, want de fietsbus vertrekt pas ’s avonds. Maar dan moet ik nu wel een beetje doorfietsen. Dat valt niet mee, want het licht is nu prachtig en er dienen zich weer heel nieuwe fotomotieven aan. De Drôme, hier nog maar een Droompje, kronkelt als een glinsterend lint tussen de donkere grindbanken. Onderweg zie ik weer heel andere planten dan tot nu toe. Blauwe distels bijvoorbeeld, waarvan ook de bloemen prikken. Of grote pollen gras met goudkleurige pluimen die schitteren in het tegenlicht.

Tegen de avond kom ik door Ribiers; de zon schijnt prachtig op de oude daken en een romaans kerkje. Op ’t pleintje kletsen mensen, er zijn terrasjes, een klaterend fonteintje. Wat is het hier gezellig! Maar geen tijd om  te blijven plakken: ik moet nog even verder. Dat geldt ook  voor Sisteron: indrukwekkende, hooggelegen citadel, oude kathedraal, gezellige smalle straatjes. Ja, mooi. Een andere keer beter bekijken.

Een paar km voorbij Sisteron kom ik langs een 2-sterren camping. Ik had eigenlijk nog een stukje verder willen komen, maar deze camping heeft wellicht een wasmachine. Een camping municipal heeft die meestal niet. Ze hebben inderdaad een wasmachine en ook een restaurantje met een plat du jour. Kan ik weer ’s aan een tafel eten. De meeste kampeerders zijn overigens al naar huis; in het restaurant ben ik de enige gast. Het hoogseizoen is nu (30 augustus) duidelijk voorbij. De wegen zijn af en toe dan ook net zo stil als aan het begin van de reis in Oostenrijk: op de Col de Carabès zie ik welgeteld 16 auto’s in drie uur (klim, eetpauze en afdaling). Het is dan ook een smal weggetje, dat op de kaart voor een deel is aangegeven als een moeilijk of gevaarlijk parcours (voor de automobilist dan, als fietser vond ik er niks gevaarlijks of moeilijks aan).
alpenreis 14 gras
Mooi gras in de Drôme


De joker ingezet

Net als ik die avond wil gaan slapen wordt ergens in de buurt housemuziek aangezet. Elke keer als ik wakker wordt – en dat is vaak – hoor ik voor mijn gevoel het zelfde bandje. Als ik ’s ochtends opsta houdt de party eindelijk op. Natuurlijk ben ik slecht uitgerust en daarom besluit ik de laatste joker in te zetten: aankomen in Antibes op de dag dat de fietsbus vertrekt, in plaats van de avond daarvoor. Dan heb ik ook meer tijd om te genieten van de Grand Canyon du Verdon, wat toch één van de absolute hoogtepunten van de reis belooft te worden.
Nu ik vandaag niet zo ver hoef is er ook nog wel tijd voor een babbeltje met de buren op de camping en al gauw na vertrek voor een terrasje in het eerstvolgende dorp. Met een grand crème en een honingkoek met amandelsnippers – spécialité de la maison – sla ik het gemoedelijke dorpsleven gade. Na een frisse en soms natte week staat de zon nu weer hoog aan een wolkenloze hemel. De thermometer geeft alweer 28° aan.

Inmiddels hebben de Alpen plaats gemaakt voor de Provence, maar ook die heeft mijn hart gestolen. Roodbruine aarde met pollen lavendel in rechte rijen, dicht op elkaar staande oude huizen, de eerste olijfbomen...


Het laatste hoogtepunt

De Grand Canyon du Verdon is de laatste serieuze klim (ongeveer 700 klimmeters) meer dan waard.  Hier en daar klampen grillige oude eiken zich vast aan de steile rots. Soms zie je enorme holen in de bergwand aan de andere kant van de kloof, die zo diep is dat je de Verdon meestal niet kunt zien. Alleen op een aantal uitzichtpunten zie je de rivier honderden meters in de diepte. Ik verbaas me over sommige toeristen die menen dat het uitzicht net over het muurtje veel mooier is dan net ervoor. Een enkeling waagt zich zelfs tot de uiterste rand...

Tegen het eind van de dag ontmoet ik een Duitse toerfietser, met wie ik samen verder op fiets. Mijn reisgezel, die zich voorstelt als Hermann, zet er flink de sokken in. Ik heb moeite hem bij te houden. Later op de camping is hij stomverbaasd als hij me bezig ziet m’n maaltijd te bereiden:
“Waar heb je die sperziebonen vandaan?”
“Nou, gewoon, van de supermarkt in Moustiers.”
Hermann voedt zich onderweg uitsluitend met brood en met hetgeen fruitstalletjes langs de weg te koop hebben.
alpenreis 15 gorges du verdon
Grand Canyon du Verdon


Met ruim drie uur speling...

Om zes uur ’s ochtends gaat het weksignaal van mijn horloge af. De regen die ik vannacht meermalen hoorde is gelukkig opgehouden. Zo stil en snel mogelijk ontbijt ik, pak m’n spullen in en breek de tent af. Zo vroeg ben ik nog nooit op pad geweest. Zie je wel, als ’t echt moet kan ik wel vroeg opstaan. En ’t moet vandaag, want  het is nog een heel eind naar Antibes, waar vanavond om half acht de fietsbus vertrekt. En ik wil per se niet op het laatste moment aankomen.

Aarzelend komt de zon door de wolken; het land ziet er mooi uit, met in de verte nevels tussen de lage bergruggen. Na een uurtje, net als ik het allerlaatste colletje van de tocht over ben, begint het weer te regenen, eerst af en toe en zachtjes, daarna aanhoudend en hard. Gréolières is na 33 km het eerste dorp van enige betekenis. Hier is vast wel een café waar ik wat kan doorwarmen en wat eten, want regen op een hoogvlakte van 1100 m maakt koud en hongerig. En moe, zal later blijken als ik heerlijk slaap in de fietsbus.

Na Pont du Loup gaat het licht omlaag in het grootste verzet. Het zit er bijna op: 2170 km en naar schatting 25500 hoogtemeters. Ik voel me een deelnemer aan de Tour de France die aan de laatste kilometers op de Champs Elysées is begonnen.
De camping waar de fietsbus vertrekt ligt een paar kilometer voor de Middellandse Zee, maar ik wil toch even tot aan zee doorfietsen. Er is niemand op het kiezelstrand. Op de terugweg raak ik hopeloos verstrikt in het eenrichtingsverkeer, maar houd toch nog drie en een half uur over voor de fietsbus vertrekt.


Vier van de vijf voorgenomen supercols die ik in deze reis niet gefietst heb kwamen in de jaren daarna toch nog aan bod: in 1998 maakten de Iseran, Galibier en Bonnette deel uit van een tocht van twee weken door de Franse Alpen en in het jaar 2000 fietste ik van Wenen (waar de fietsbus nu wel stopte) naar Suze-la-Rousse in de Provence. Bij die gelegenheid deed ik onder andere de Stelvio en – voor de tweede keer – de Iseran. Bij de Großglockner moest ik andermaal passen, wegens naderend onweer en omdat ik (alweer) misselijk was van een enorme Apfelstrudel.

In 1999 fietste ik van de Golf van Biskaje naar de Middellandse Zee en terug, heen door de Spaanse Pyreneeën, terug door - en soms buitenom - de Franse. Qua landschappelijke afwisseling, rust en ongerepte omgeving misschien wel de mooiste van mijn vier bergtochten. Jammer was wel dat ik door een te krappe planning van het befaamde rijtje Franse Pyreneeëncols (Peyresourde, Aspin, Tourmalet en Aubisque) alleen de laatste kon doen. Helaas in dichte mist...