Andiamo a Firenze! (verkorte versie)
door Marleen Peeters – 15 mei t/m 11 juni 2004

Klik hier voor de uitgebreide versie van dit verhaal.

Onderstaand verhaal stamt uit de tijd dat de route nog "Fietsen naar Toscane" heette en eindigde bij Florence. De route is sindsdien steeds verbeterd en komt daardoor af en toe langs plaatsen die nu niet meer aan de route liggen: onder meer Mantova en Modena.

‘Op naar Florence’ was het motto toen ik (vrouw, 47) op zaterdag 15 mei 2004 op mijn fiets stapte om naar Florence te rijden. Eerder was ik o.a. naar Santiago gefietst, dus ik had wel een idee van wat me te wachten stond.

Wat brengt iemand ertoe om zo’n tocht te rijden? Dat is ongetwijfeld voor iedereen anders. Voor mij was het de behoefte om na te kunnen denken, met als grote bonus het fietsen door de natuur, veel cultuur en vooral genieten!

Een paar gegevens:
- Fiets: een 7 jaar oude Snel Safari met een Deore LX-groep
- Tent: een 7 jaar oude Hilleberg Nallo 2 (2,2 kg)
- Gekampeerd en twee keer een hotelletje
- Gefietste dagen tot Florence: 21 fietsdagen en 2,5 rustdag
- Afstand, inclusief eigen ‘uitstapjes’ van de route: 1975 km.
- Terugreis: met de nachttrein naar München en vandaar met regionale treinen (waar de fiets in mag) naar Nederland terug.


Eerste week: huis - Schriesheim

15 mei – dag 1: Thuis - Persingen, 95 km
Via de Lek pik ik de route op bij Elst. Voorbij Nijmegen ligt de Ooypolder, een prachtig natuurgebied verstild in het avondlicht. Op de boerencamping bij Persingen duurt het tien minuten voor ik op de koffie word genodigd door mijn tentburen, ook fervente fietsers.

16 mei – dag 2: Persingen - Swalmen, 103 km
De zon schijnt. Mooi is het kapelletje Afferden. Op een van de wandschilderingen staat een man naar Jezus te kijken met in zijn hand een tekst ‘nos legem habemus’, wij hebben onze wetten. Alsof je je daarop kunt beroepen om een onschuldig mens te doden.
’s Avonds kampeer ik in Swalmen op een rustige boerencamping, langs de holle weg staat het fluitekruid in volle bloei.

17 mei – dag 3: Swalmen - Echtz, 86 km
Nu ga ik toch echt de grens over. Op de een of andere manier maakt het indruk. De tocht gaat langs de Rur. Duitsland heeft de laatste jaren veel gedaan aan het uitbreiden van het fietsnetwerk en de fietspaden zijn goed bewegwijzerd. Onderweg hoor ik veel nachtegalen. Dat komt natuurlijk omdat ik steeds in vochtige gebieden rijd langs al die rivieren.

Fietspad langs de Rur

18 mei – dag 4: Echtz - Remagen, 100 km
Gisteravond heb ik de eerste medefietsers naar Florence ontmoet. Wat opvalt is dat sommigen zo´n haast hebben, in alle vroegte vertrekken ze met pak en zak. Ik merk dat die onrust eigenlijk heel aanstekelijk is en dat wil ik niet.
Vandaag fiets ik over de Zülpicher Börde, een uitgestrekte hoogvlakte waarop alleen landbouw plaatsvindt. De route gaat over stille weggetjes. In Froitzheim staat een monumentje voor de gevallen Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Vijftig mannen zijn gedood of worden vermist in dit dorpje van ongeveer 100 huizen.

19 mei – dag 5: Remagen - Koblenz, 54 km (halve rustdag)
Vanochtend heb ik eerst het museum van Remagen bezocht. Dat bevindt zich in een oude spoorwegbrug die in 1914 is gebouwd omdat Duitsland een aanvoerroute naar een westelijk front wilden hebben. Toen in 1918 de brug gereed was, is hij gebruikt om de Duitse krijgsgevangenen terug naar huis te brengen. In 1945 viel de brug in handen van de Amerikanen, het begin van het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Andernach heeft een mooie oude binnenstad. Sommige stadjes op deze route zijn beslist de moeite waard. In Koblenz kampeer ik aan het Deutsches Eck waar Rijn en Moezel samenvloeien.

20 mei, Hemelvaartdag – dag 6: Koblenz - Oppenheim, 125 km
De halve rustdag van gisteren heeft me goed gedaan. Zomaar even zitten bij je tentje is er immers niet bij als je per dag zo´n 10 u onderweg bent. Ik bekijk veel dingen en klets met veel mensen. In je eentje ben je heel benaderbaar en de meeste mensen vinden het leuk om iets te vertellen of de weg te wijzen. Gister werd ik op de ´juiste´weg gezet door een goedbedoelende man, maar toen ik zijn aanwijzingen opvolgde, belandde ik prompt op een soort autoweg.

Langs de Rijn ligt Bingen waar Hildegard von Bingen vandaan komt. Er is een mooi museum. Hildegard heeft twee kloosters gesticht, de paus en de keizer raad gegeven, boeken geschreven over kruiden-kunde en de helft van de tijd was ze ook nog eens ziek. Inspirerend hoe sommige mensen veel van hun leven maken!

21 mei – dag 7: Oppenheim - Schriesheim, 91 km
De route voert door een prachtig natuurgebied waar ze oude landbouw-technieken toepassen. In Lorsch bezoek ik het kloostermuseum. Dat is het leuke van deze route: er is zóveel te zien onderweg. Later raak ik de weg kwijt, het begint te regenen en ik kan de camping niet vinden, kortom als een zonnetje kom ik om acht uur ’s avonds aan in Schriesheim. Ook dat hoort er bij.

Heidelberg (vanaf het slot)

Tweede week: Schriesheim - Bregenz

22 mei 2004 – dag 8: rustdag; Heidelberg bezocht, 7 km gefietst
Heidelberg is prachtig. Het slot ligt hoog boven de stad. Die lui hebben daar vroeger vast weinig bezoek gehad, want je moet 315 treden op om er te komen.
Ik merk dat ik moe ben van de vele indrukken. Het is ook intensief: 's ochtends rond zes, half zeven op. Daarna alle voorbereidingen om weg te komen, dat duurt anderhalf tot twee uur. Dan zo’n 100 km fietsen en onderweg veel dingen bekijken. Dan mag een mens moe worden!

23 mei 2004 – dag 9: Schriesheim - Schellbronn, 125 km
Het is koud en het regent en nergens Kaffee mit Kuchen te bespeuren... Er valt ook het nodige te lachen. Terwijl ik in het (natte) routeboekje aan het zoeken ben naar de juiste afslag, valt mijn oog op de antiekwinkel naast me: 'Der Holzwurm'. Voor ik daar toch een antiek kabinet kocht!

Fietsen is nooit zonder gevaar. Terwijl ik Heidelberg binnenfiets, ruik ik een ongewone lucht, van groot wild. Als ik de hoek omsla, sta ik oog in oog met een grizzly! De dierentuin in Heidelberg probeert je binnen te lokken door de berenverblijven vóór in plaats van ná de ingang te plaatsen.

24 mei 2004 – dag 10: Schellbronn - Tübingen, 81 km
Het wordt hier al wat heuvelachtiger, de Alpen zijn niet ver meer. Vanochtend ben ik langs een snelstromend riviertje gereden waar nog waterspreeuwen zaten. Voor Tübingen wil ik een oud klooster bezoeken, maar op maandag zijn veel musea gesloten. Steeds verder rijden zonder de interessante dingen te zien, is onbevredigend. Overnachten in Tübingen dus.


25 mei 2004 – dag 11: Tübingen - Erpfingen, 46 km (halve rustdag)
De hele ochtend bekijk ik het klooster in Bebingen. Een deel is omgebouwd tot jachtslot. Wat me bijblijft, is het bed van de slotvrouw. Daar zit een opklapbaar deel aan. Wanneer de koningin een kind kreeg, moest de vroedvrouw haar werk doen met een blinddoek voor, want de traditie schreef voor dat de koning als eerste het kind moest aanschouwen. In Frankrijk keek onder Louis XVI zelfs het hele hof toe bij een keizerlijke geboorte (hoe zou dat zijn voor de kraamvrouw?).

Erpfingen ligt op de Schwabische Alb, een hoogvlakte zo’n 200 meter boven het laaggelegen Rijnland. Het laatste stuk is dan ook flink steil. Op de meeste Duitse campings kun je voor een redelijke prijs warm eten. Ik vraag de plaatselijke specialiteit, ‘Kuttele’, en krijg een bord met ondefinieerbare harde stukjes vlees in een zure saus. Op mijn vraag wat het is, krijg ik te horen: ‘Stukjes lebmaag van een koe...’ Slik!

26 mei 2004 – dag 12: Erpfingen - Ilmensee, 97 km
Ik zit nu op een hoogvlakte voor de Alpen waar de mensen een sterk Schwabisch dialect spreken. In Mengen is een interessant Romeins museum. In de eerste eeuw kwam het Romeinse rijk tot hier. Tot mijn verbazing lees ik dat het verspreidingsgebied van het Romeinse geld toen groter was dan dat van de euro nu!

27 mei 2004 – dag 13: Ilmensee - Bregenz, 76 km; halve rustdag
Om half zes word ik wakker van de regen. Terwijl ik de natte tent inpak, kraaien de hanen en wordt het dorp wakker. Het is half twaalf wanneer ik bij het Bodenmeer aankom en het eindelijk ophoudt met regenen. De sfeer is hier toeristisch: de Kaffee und Kuchen zijn onbehoorlijk duur en de bediening is onpersoonlijk.
Later volgt nog een mooi landelijk stuk. Op een gegeven moment voert de weg midden door een groepje boerderijen. Met een behoorlijke gang sla ik de hoek om en tot mijn verbijstering ligt daar een fors uitgevallen rottweiler midden op straat te pitten! Ik schrik me lam, ruk aan mijn stuur en glijd centimeters van zijn neus (en tanden) voorbij.

In Bregenz (Oostenrijk) is camping Mexico mooi en milieuvriendelijk. Daar hoor ik dat de Silvrettapas (2036 m) nog gesloten is vanwege sneeuw. Het alternatief is de trein van Bludenz naar Landeck te nemen, maar ik ben teleurgesteld dat ik de Alpen niet over kan fietsen.

28 mei 2004 – dag 14: rustdag in Bregenz; 16 km
Vannacht heeft het geregend. Gister had ik al mijn spullen gewassen en die lagen bij uitzondering in stapeltjes naast mijn lekvrije Ortlieb-fietstassen. Eén tentnaad heeft gelekt en alles is drijfnat, ook het gidsje van Florence. Ja, dat is een aanslag op de moraal! Gelukkig heb ik vandaag een rustdag en kan ik alles drogen. Bij de gids gaat dat blaadje voor blaadje en sommige teksten zijn beschadigd. Misschien is het zelfs wel een voordeel als je bedenkt hoeveel er allemaal in Florence te zien is.


Derde week: Bregenz – Florence

29 mei 2004 – dag 15: Bregenz - Klosterle, 90 km
Gisteravond heb ik gehoord dat de Arlbergpas wel open is, ook voor fietsers. Ik heb geen kaart van het gebied, maar die route vind ik wel. Het is de ervaring dat er voor ieder probleem een oplossing komt. Vaak ontstaan problemen omdat we het lastig vinden om afhankelijk te zijn van anderen, als je dat niet erg meer vindt, zijn er toch een heleboel dingen een stuk makkelijker in het leven.

Feldkirch is een mooi dorpje. Het is marktdag. Dat is deel van het mooie onderweg: alle kleuren en beelden die je bijblijven. Sommige vrouwen dragen het traditionele 'Trachtenkleid' en dat staat ze goed. Iemand van de VVV deelt op straat wandelkaarten uit. Ik krijg er eentje en jawel: de hele route over de Arlbergpas staat er keurig op!

30 mei 2004 - 1e Pinksterdag – dag 16: Klosterle - Ried, 64 km
Als ik het dorpje uit rij, heerst er een absolute stilte op een paar koeienbellen na. Al snel begint de weg te stijgen. Klimmen op de fiets is een mix van ervaring en kracht. ‘Piano, piano', gaat het bergop. Steeds meer motoren komen voorbij. Soms rijden ze alleen, meestal in groepjes. Na een poosje voert de weg door een tunnel, de Ralegg Galerie. Het wordt een inferno van 2 km lang. Een auto is als een reusachtig insect dat op je af komt om je te verscheuren. De lucht is verzadigd van de uitlaatgassen en omdat het vals plat is, hijg ik de longen uit m’n lijf. Van iedere auto en motor die me van achteren nadert, moet ik maar hopen dat ze m'n fluorescerende vestje op tijd zien... Als ik even sta bij te komen buiten de tunnel, zie ik dat er een langzame verkeersweg aan de buitenkant van de tunnel ligt. Heb ik een bordje gemist?

De Alpen naderen...

Op de pas zijn souvenirwinkeltjes en een restaurantje. Een paar motorrijders zien me aankomen en in triomf steek ik mijn hand op. Ze klappen waarderend. Ik voel me zó ont-zettend sterk op dit moment, zó ontzettend levend!
's Avonds kampeer ik in Ried op een mooie, kleine camping. Mijn buren zijn drie 'bikers', motorrijders van het ruigere type. Bij een biertje vragen ze hoe dat nou is om met een fiets alleen zulke afstanden af te leggen. Eentje zegt er eerlijk bij dat hij het niet zou durven.

13 mei 2004 - 2e Pinksterdag – dag 17: Ried - Prad, 76 km
Vandaag moet ik de Reschenpas over. Lager dan de Arlbergpas (1796 m), maar nog ruim 1500 m. Ik vraag de weg aan een oude man. Met een brede glimlach wijst hij naar rechts. 'Danke.' En… vervolgens wijst hij naar links. Ja, met zo iemand kun je alle kanten uit! Ik probeer mijn geluk door een auto met een jong Turks stel aan te houden. Ze zeggen eerlijk dat ze niet weten hoe je met de fiets bij de Reschenpas komt. Een andere chauffeur wijst me zonder mankeren de weg: 'Hier naar links, maar als je rechtsaf slaat kom je d'r ook.' Had die ouwe man toch gelijk! Later komt het Turkse Golfje weer naast me rijden: ze hebben in het dorp gevraagd hoe ik moet rijden en komen me zeggen dat ik linksaf moet.
Dan volgt een van de mooiste stukken van de route: de weg volgt slingerend een aantal kleine dorpjes boven het dal. Onder me zie ik de groene weilanden en boven me de beboste bergen. De dorpjes zijn doodstil op het kakelen van de kippen en het loeien van de koeien na. Hoeveel schoonheid kan een mens verwerken?
Na Pfunds verlaat ik Oostenrijk en kom in Zwitserland, het vierde land, maar nog geen vijf kilometer later passeer ik de volgende grens alweer: Oostenrijk! Daar begint de klim naar de Reschenpas. Ik heb slechte benen en het regent. Langzaam ploeter ik de berg op. De dikke bestuurder van een Opel Kadett draait z’n raampje open en roept: 'Runter geht's besser!' Een jonge vent op een prachtige oude moto Guzzi volgt twee bochten verder. Hij kijkt me aan en lacht terwijl hij zijn duim opsteekt.

Op weg naar de Reschenpas


De Reschenpas is de grens met Italië, er wordt Schnaps verkocht en er zijn een paar benzinestations. Niet echt een inspirerende plek!
De route gaat nu door Süd Tirol, een gebied dat sinds 1915 of zoiets door Italië is ingepikt en waar Mussolini een hoop Italianen heen heeft gestuurd om er op die manier snel een stukje Italië van te maken. Ze spreken er nog steeds Duits. In een cafeetje waarschuwt een man me om het vooral niet aan te leggen met een Italiaan want die zijn niet te vertrouwen!

1 juni – dag 18: Prad am Stilfsersjoch - Nals, 77 km
Het Vinschgaudal is het droogste dal is van de streek. Het is ongeveer 100 km lang met veel fruitteelt en dwars erdoorheen voert een autoluwe fietsroute. Hele boomgaarden zijn bedekt met een stevig, fijnmazig gaas om de vruchten te beschermen tegen hagel. Bij jonge aanplant is de bodem soms bedekt door hetzelfde gaas om de wortels te beschermen tegen de meikevers, zo vertelt een boer me.
Aan het eind van de dag ben ik moe en het regent. Ik stop in Nals, bij camping 'Zum guten Tropfen' (!) en weer heb ik mazzel: het huis heeft een groot overstek zodat ik een droge meter langs de gevel voor mezelf heb. Dat betekent dat ik m'n spullen droog kan uitpakken, zelf droog kan zitten terwijl de binnentent opdroogt en omdat er vrijwel geen gasten zijn, kan ik alle natte spullen in de dames doucheruimte hangen. Geluk heeft vele gezichten!

2 juni – dag 19: Nals - Rovereto, 115 km
Vandaag is de eerste dag op de Povlakte. Onderweg kom ik veel wielrenners tegen. Mannen in een flitsende outfit op een prachtige fiets. Ze roepen Ciao' of 'Forza!' en weg zijn ze weer. Zouden er beroemde wielrenners bij zitten die hier hun trainingsrondjes rijden?
De route volgt nu grotendeels de rivier Adige langs een mooi, autovrij fietspad. In Trento bekijk ik de binnenstad, mijn eerste, echt Italiaanse stad. Hier werd indertijd het concilie gehouden dat de reformatie moest zien te keren.
Daarna fiets ik naar Rovereto. Op dit stuk van de route zijn er 140 km lang geen campings. Waar ik ook vraag: niemand weet een hotel. Dan heb ik een ingeving: bij het station staan taxi's en een taxi-chauffeur kent alle hotels. Het klopt: een chauffeur wijst me er één iets verderop. Ik betaal 45 euro voor een ‘ruime kamer met uitgebreid ontbijtbuffet’. Nou, dat ruime klopt wel, de afmetingen van het kamertje zijn die van een flinke bezemkast, maar het is wel vier meter hoog!

3 juni – dag 20: Rovereto - Salionze, 96 km
Het ‘uitgebreide ontbijtbuffet’ blijkt te bestaan uit twee voorverpakte stukjes toast, een plastic cupje met honing en een kunstmatig smakend glas jus. Sportvoer! Vandaag is het een echte Povlakte-dag. Vlak, met veel populieren en ontzettend veel boerderijen in vervallen staat. Vroeger heb ik geleerd dat de Povlakte de graanschuur van Italië was, maar die staat nu blijkbaar ergens anders. Er is veel moois te zien: onderweg kom ik zowaar purper-reigers tegen! De roofvogels – vooral buizerden, maar ook een enkele wouw - die me tot dusverre vergezelden, zijn nu allemaal weg. Nachtegalen zijn er nog steeds, maar ook de merels en lijsters ontbreken grotendeels. Hier en daar zie ik de eerste cipressen en olijfbomen. Italië wordt nu toch echt menens!

Bij Bardolino kom ik voorbij het Gardameer. Het moet erg mooi zijn, maar mij trekt het toeristische gedoe niet en dus fiets ik verder. In deze buurt zijn wel campings, maar ze zijn dun gezaaid en ik moet elf kilometer van de route af om er eentje te vinden.

Ode aan een te vroeg gestorven renner

4 juni – dag 21: Salionze - Secchia, 123 km
Ook deze dag fiets ik door de Povlakte. Sommige stukken zijn erg mooi, vooral met die strakblauwe lucht en grote witte wolken. 's Avonds wil ik naar de camping in Modena. Volgens de beschrijving is die weer elf kilometer van de route verwijderd, maar dat moet dan maar. Als ik er probeer te komen, zit alles tegen: eerst is er een wegomleiding, dan blijkt het weggetje dat ik moet hebben gewoon opgebroken te zijn en vervolgens ligt er een spoorlijn waar ik niet overheen kom! Enfin, ik beland voor de tweede keer deze tocht in een hotel. Dit keer is het ietsjes duurder (50 euro), maar veel en veel beter.
's Avonds lig ik in bed met open raam te luisteren naar de nachtegaal en betaal daar later die nacht de rekening voor in de vorm van een fiks aantal muggenbeten. Ja, zo'n tentje met muggengaas is zo gek nog niet!

5 juni – dag 22: Secchia - Pian del Voglio, 105 km
In dit hotel ontbijt ik voor het eerst in mijn leven met gebak: een soort zanddeeg met jam ertussen. Lekker, maar of je hier nou ver op fietst? Vandaag wil ik het laatste stuk Povlakte fietsen en een stukje Apenijnen zodat ik misschien morgen tot Florence kan fietsen. In deze relatief eenzame streek zijn veel kettinghonden. Een van de kettinghonden blaft zich te barsten terwijl ik voorbijrijd. Als ik hem liefkozend toespreek, stopt hij met blaffen en begint dan zachtjes, aarzelend bijna, te kwispelen. Zou hij wel 's een aai krijgen?

Bologna is een grote industriestad en geen feest om doorheen te komen. Enfin, jullie snappen het... Ik benader in mijn beste Italiaans twee jonge politieagentes, open en goedlachse types. Zij weten de weg en zeggen spontaan: 'Fiets maar achter ons aan.' Het zijn sportieve meiden en ze gaan er dan ook vandoor met zo'n dertig à veertig kilometer per uur. Voor hen geen probleem, want zij zijn met de patrouille-auto! Op een gegeven moment ben ik ze natuurlijk kwijt. Dan zie ik ze weer: ze staan verderop braaf op me te wachten. Na tien minuten als een Pantani door Bologna te hebben gescheurd, sta ik in de goede straat. 'Buon Viaggio,' roepen ze nog en weg zijn ze. Ja, ja, de politie is je beste vriendin!

Na Bologna houdt de Povlakte op en begint de route weer te stijgen: de Apenijnen vormen de laatste hobbel tussen mij en Florence. Aan de rand van Bologna, bij een industriegebied, kom ik voorbij dames van lichte zeden die daar op zoek zijn naar klanten. Het heeft iets onzegbaars triests.

Toscane


6 juni – dag 23: Pian del Voglio - Florence, 74 km
Vandaag de allerlaatste pas en dan... Florence! De Passo della Futa is toch nog een behoorlijke klim. Mijn hoogtemeter wijst 915 m aan als ik boven kom. Daar ligt een groot Duits oorlogskerkhof met een monument. Toen in 1943 de Italianen de kant van de geallieerden kozen, lag het front heel lang op dit punt. Er liggen duizenden jonge soldaten begraven. Als ik een paar graven bekijk, gaat het door me heen: al deze jongens waren iemands zoon, iemands geliefde misschien en allemaal hebben ze gehoopt dat ze gezond thuis zouden komen.

Daarna is het nog tientallen kilometers lang ploeteren. De heuvels zijn niet erg hoog, maar het is de ene heuvel na de andere en op zondag is er vrij veel verkeer en het is warm, ontzettend warm. De ontlading komt in Fiesole, een dorp zo'n zeven kilometer voor Florence. Als ik even achter me kijk, zie ik dat de lucht inktzwart is en vijf tellen later hoost het als een gek.

Eén minuut over half vier is het wanneer ik het bord 'Firenze' passeer. Op een of andere manier is het een heel emotioneel moment. De omgeving is absoluut niet mooi, het heeft pas geregend en het is koud, maar ik ben er!
Na 23 dagen onderweg ben ik aangekomen in Florence, de stad van de renaissance. Als je onderweg bent, is het net alsof je altijd maar zult door zult blijven fietsen, alsof er nooit een einde aan de tocht zal komen en dan opeens is het laatste stukje gefietst, passeer je het bordje ‘Firenze’ en ben je er. Een heel ontroerend moment.

De camping ligt op een helling ten zuiden van Florence en daardoor heb je een prachtig uitzicht over de stad beneden en Fiesole. Mijn tentje staat tussen de olijfbomen en in de verte zie ik de koepel van de Dom. ’s Nachts hoor ik een uil achter m’n tentje en die zal er de hele week, elke avond opnieuw, zijn.

Voor mij was het een prachtige reis. Ik heb intens genoten van het fietsen, van alle indrukken maar vooral van de vele ontmoetingen. En ooit, ooit zal ik opnieuw zeggen: ‘Andiamo a Firenze!’

Florence vanaf de
Camping Michelangelo